Column door Wiel Verheesen in Limburgs Wielercafé, 7 november 2019 in Landhotel-Restaurant Rido, Valkenburg aan de Geul

Marcel Gouka    8 november 2019

’Ze konden allemaal mijn kloten kussen.’ Was getekend: Theo Middelkamp. Als de wereldkampioen van Reims 1947 – die in eerdere jaren drie keer de Nederlandse titel op de Cauberg behaalde – de aanval koos tegen vermeend onrecht of iets wat daar op leek deed hij dat op zijn manier. Kort, duidelijk en met een woordkeuze die niet direct voor alle leeftijden geschikt was.

Ik hoor en zie jullie al denken: ’Waar heeft Wiel het in een Limburgs Wielercafé nú opeens over? Middelkamp is toch een Zeeuw, die al heel lang dood is?’ Dat laatste klopt, de rest van mijn inleidende woorden hoop ik te kunnen uitleggen. Ik loop namelijk met het plan rond om nóg eens een sportboek te schrijven, dit keer over de Cauberg in het algemeen en de kanjers die daar geschitterd hebben in het bijzonder. Theo Middelkamp mag daarin met zijn drie victories (1938, ’43 en ’45) uiteraard niet ontbreken. Zijn provinciegenoot Jan Raas óók niet. Hij trok in het Geulstadje net als Marcel Kint, Briek Schotte, Oskar Camenzind en Philippe Gilbert de regenboogtrui aan. Ik voeg daar ook degenen aan toe die naast Middelkamp het rood-wit-blauw veroverden: John Braspennincx, Gerrit Schulte (vier keer), Sjefke Janssen, Hans Dekkers, Adri Voorting, Thijs Roks, Wim van Est, Tino Tabak, Joop Zoetemelk en nog een paar. De etappewinnaars van de twee Tour-aankomsten of de triomfators van de Amstel Gold Race, die hier sinds 2003 eindigt worden evenmin vergeten. Vanzelfsprekend hoort daar ook het WK cyclocross bij toen Mathieu van der Poel niet kón verliezen, maar Wout van Aert sterker bleek. Een paar maanden geleden stond Van der Poel hier tóch met de bloemen te zwaaien. Toen had hij de Goldrace op zijn naam gebracht. Een finale om nooit te vergeten.

Tussen  haakjes, Jef Lahaye won hier óók in het nationaal wegkampioenschap , maar toen hij dát deed – in 1958 – was ’Valkenburg’ de eerste van drie wedstrijden die de titelwinnaar moesten aanwijzen. Zodoende kon pas nadat ook in Groesbeek en Zandvoort gefietst was de definitieve uitslag opgemaakt worden. Lahaye klaarde het karwei,al voelde hij de adem van Michel Stolker bij wijze van spreken in de nek.

Uiteraard streden op de Cauberg (en elders in Limburg) ook de amateurs en vrouwen menige keer om de hoogste vaderlandse en mondiale wielereer. Daar wil ik het nu echter niet over hebben, anders ben ik rond sluitingsuur nog bezig. In het boek – áls het daadwerkelijk komt, want ik moet de laatste tijd nog al eens in het ziekenhuis zijn – zal ik er zeker aandacht aan besteden. Alles staat nog in de grondverf. Niettemin, tot de hoofdstukken die ik wél al grotendeels af heb behoort het verhaal over Theo Middelkamp. En daarover wil ik met Uw goedvinden een duik nemen. In ieder geval, zo heb ik neergepend, zou ’Fiel’ in het diplomatieke verkeer nooit de reputatie hebben gekregen die hij op de fiets wél verwierf. ’Ik leef het leven zoals ik dat wil, heb schijt aan iedereen die het daar niet mee eens is.’ Hij zei het zowel in zijn koersjaren, alsook lang daarna toen hij het stilzwijgen over zijn carrière verbrak. Journalisten die hij eerst had afgewimpeld waren plotseling weer welkom. Radioverslaggever Jeroen Wielaert was, denk ik, de eerste die mocht aanschuiven.  Weer later maakte Jean Nelissen in het kader van’De ’Avondetappe’ een reportage waarin Middelkamp honderduit vertelde over zijn bestaan, zowel óp als náást de fiets.

Mijn collega Jan van Lieshout bij het Limburgs Dagblad had dát geluk voor een interview met Middelkamp nog niet toen hij halverwege de jaren zeventig naar Theo’s huis was getrokken. Jan had weliswaar aan de telefoon al te horen gekregen dat hij niet hoefde te komen, maar besloot daarop de ’voet-tussen-de-deur-tactiek’ toe te passen. Hij ging dus toch, hopend dat de hoofdrolspeler alsnog overstag zou gaan. IJdele hoop. Middelkamp stond op de ladder, bezig met een schilderbeurt aan de gevel. Verfkwast in de hand. ’Meneer, sodemieter op. Ik heb U toch gezegd, ik wil niets meer weten van koersen,’ kreeg de verslaggever te horen. Toen die  desondanks bleef aandringen nam ’Fiel’ andere maatregelen. ’Met een goedgevulde verfpot in de aanslag wees hij mij de dijk vanwaar ik gekomen was,’ schreef Van Lieshout een dag later in de krant. De gereserveerde ruimte voor het verhaal werd overigens toch geheel benut, maar dan wel met tekst waarvoor de journalist in Kieldrecht en omgeving op bezoek was gegaan bij plaatsgenoten en ex-collega’s van de renner die in 1936 als eerste Nederlander een etappe in de Tour de France had gewonnen. Twee jaar na het debuut pakte Theo opnieuw een dagzege. Toen hij  vervolgens tot de ontdekking  kwam dat hij aan drie weken afzien in feite slechts een habbekrats had overgehouden besloot hij om de Tour de Tour te laten. Kermiskoersen leverden veel meer op. Hij won ze vaak. Bovendien, hij had er geen moeite mee om winstkansen te  verkopen. Of hij dan niet dacht aan de eer die bij een overwinning hoort? ’Eer, meneer wat koop ik dáár voor? Van eer kunt ge niet leven.’

Na zijn derde landskampioenschap in Valkenburg koerste hij nog een jaar of vijf. Daarin behaalde hij dus hij niet alleen de wereldtitel in Reims, maar ook nog het zilver. Dat gebeurde in Moorslede, 1950, waar Briek Schotte zich de sterkste toonde. Jawel, de ’Fiel’ was heel wat mans. Zijn hoop om als eerste ex-wereldkampioen de leeftijd van honderd jaar te bereiken ging overigens niet in vervulling. Op 2 mei 2005 blies hij zijn laatste adem uit. Middelkamp werd 91 jaar.

Wiel Verheesen

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *