Vuelta van vroeger (vijfde aflevering) door Wiel Verheesen

Marcel Gouka    2 september 2019

Het eerste deel van de jaren zestig in de Ronde van Spanje was voor Nederlandse renners allesbehalve succesvol. Alleen Bas Maliepaard (4de in 1963) en soms Michel Stolker of Ab Geldermans, allemaal in buitenlandse dienst, zorgden ginds voor een Oranjekleurtje. Sterker nog, Klaas Buchly en naderhand ook Ton Vissers die de Vuelta-ploeg samenstelden hadden moeite een ’eigen’ tiental te vinden. Kees Pellenaars, jarenlang in vooral Tour en Giro de chef d’equipe, bekeek het allemaal vanuit zijn zetel, thuis in Breda. Hij was door de bond aan de kant geschoven. Weliswaar zou hij in deze periode nog één jaar met een bescheiden merkenteam (WBR-Sinalco) aan wedstrijden deelnemen, maar voor het overige duurde het toch even voordat hij echt terugkeerde. Eerst vier jaar (1964-’67) met TeleVizier, daarna twee seizoenen (1971-’72) met Goudsmit-Hoff. De jaren van Peter Post en diens fameuze Raleighploeg moesten toen nog aanbreken.

Maar eerst dus de Vuelta 1961. In alfabetische volgorde bracht Buchly het volgende team op de been: Piet van den Brekel, Piet Damen, Ab van Egmond, Dick Enthoven, Jan Hugens, René Lotz, Ab Sluis, Mik Snijder, Bart van de Ven en Huub Zilverberg.  Bij oudere facebookers zal ongetwijfeld nog een belletje rinkelen. Overigens, er stond nog een elfde landgenoot  aan de start: Jef Lahaye. De ex-landskampioen was na het opheffen van de Eroba-ploeg op de loonlijst bij Groene Leeuw terechtgekomen. Nou ja, loonlijst, het was maar hoe je het bekeek. Lahaye lag namelijk bij deze Belgische ploeg zó vaak met teambaas De Kimpe in de clinch over betaling van salaris, prijzen en premies dat hij naar een ander beroep begon uit te kijken. Op het einde van genoemd seizoen zei hij de wedstrijdsport vaarwel. Maar de fiets bleef hij trouw. De renner uit Bunde, die drie keer de Tour reed en verdienstelijk werk leverde in Ronde van Zwitserland, Dauphiné Libéré, Ronde van Luxemburg, Luik-Bastenaken-Luik, enzovoort, werd tijdens een trimtocht, lente 1990, in Ulestraten door een hartaanval getroffen. Lahaye werd slechts 57 jaar.

In tegenstelling tot zijn landgenoten behoorde hij niet tot degenen die er in Vuelta’61 vroegtijdig de brui aan gaven. Hij klasseerde zich als drieëntwintigste. Hugens en Van den Brekel (die meteen stopte met wielrennen) waren al na twee, hooguit drie dagen naar huis gegaan. René Lotz (héél ver familie van latere prof Marc Lotz) volgde dezelfde week en toen na negen dagen Madrid bereikt werd  (met uitstekende vlieg- en treinverbindingen naar het vaderland) vonden Zilverberg, Damen, Sluis, Van Egmond en Enthoven het welletjes. Voor Snijder en Van de Ven hoefde het toen ook niet meer.  Nee, een visitekaartje lieten de Nederlanders dat jaar niet achter. Toch kreeg Buchly een uitnodiging om terug te keren. En ofschoon zijn renners in 1962 bij uitzondering in de top-10 eindigden bleef een blamage als twaalf maanden eerder achterwege. Tegenover het supervroege afscheid van Jan Legrand, Cees van Amsterdam en  Tom Tubee, gevolgd door Fons Steuten, Toon van der Steen, Frans Stevens en Piet van der Horst stond namelijk het doorzettingsvermogen van Jan Westdorp (31ste), Leo Knops (37ste) en Leo Coehorst (42ste). Wie ook de finish haalden waren Michel Stolker (7de) en Ab Geldermans (10de), de twee Nederlanders  die met hun merkenploeg Saint-Raphaël ook eindwinnaar Rudi Altig in hun midden hadden. De prijzenpot van de ’Rapha’s’ zou trouwens nog beter gevuld zijn geweest als teamgenoot Jacques Anquetil, die op de tweede plaats stond, niet op de voorlaatste dag uit koers was gestapt. Hij had koorts, werd verteld.

Van dat laatste had Wim van Est in 1964 geen last. Als 41-jarige reed hij de Ronde van Spanje (zijn tweede) zonder problemen uit. Van Est deed dat als enige van de vaderlandse equipe waartoe opnieuw Steuten en Coehorst hadden behoord.  Echter, net als Snepvangers, Solaro en de anderen – alsmede de in Spaanse dienst bij KAS rijdende Piet Rentmeester en etappewinnaar Stolker – haalden zij het einde niet. Veel geld hadden zij tussentijds  ook niet bijeen gereden, maar het totaalbedrag  moest natuurlijk wel uitbetaald worden. Toen dat erg lang begon te duren was Van Est de smoesjes zat waarmee ’baas’ Vissers hem aan het lijntje hield. Inclusief dagvergoedingen ging het bij ’Wimme’ namelijk toch om een leuk bedrag. En om zijn eis te onderstrepen gaf hij tijdens een gesprek onder vier ogen de flamboyante ploegleider een klap op zijn smoel. Overigens, de hand- en spandiensten voor eindwinnaar Raymond Poulidor hadden de man uit Sint Willebrord ook nog een leuke bijverdienste opgeleverd, zoals hij in een jolige bui vertelde.

Toen in 1966, na één jaar onderbreking, weer een Nederlandse ploeg naar de Vuelta trok was het wielerlandschap veranderd. Van Est had de fiets aan de kant gezet. En de voorheen zo moeilijk bijeen te krijgen vaderlandse afvaardiging koerste niet meer onder KNWU-vlag. Merkenploeg  TeleVizier was daarvoor in de plaats verschenen. Ik kom daar deze week nog op terug.

Door Wiel Verheesen

Het eerste deel van de jaren zestig in de Ronde van Spanje was voor Nederlandse renners allesbehalve succesvol. Alleen Bas Maliepaard (4de in 1963) en soms Michel Stolker of Ab Geldermans, allemaal in buitenlandse dienst, zorgden ginds voor een Oranjekleurtje. Sterker nog, Klaas Buchly en naderhand ook Ton Vissers die de Vuelta-ploeg samenstelden hadden moeite een ’eigen’ tiental te vinden. Kees Pellenaars, jarenlang in vooral Tour en Giro de chef d’equipe, bekeek het allemaal vanuit zijn zetel, thuis in Breda. Hij was door de bond aan de kant geschoven. Weliswaar zou hij in deze periode nog één jaar met een bescheiden merkenteam (WBR-Sinalco) aan wedstrijden deelnemen, maar voor het overige duurde het toch even voordat hij echt terugkeerde. Eerst vier jaar (1964-’67) met TeleVizier, daarna twee seizoenen (1971-’72) met Goudsmit-Hoff. De jaren van Peter Post en diens fameuze Raleighploeg moesten toen nog aanbreken.

Maar eerst dus de Vuelta 1961. In alfabetische volgorde bracht Buchly het volgende team op de been: Piet van den Brekel, Piet Damen, Ab van Egmond, Dick Enthoven, Jan Hugens, René Lotz, Ab Sluis, Mik Snijder, Bart van de Ven en Huub Zilverberg.  Bij oudere facebookers zal ongetwijfeld nog een belletje rinkelen. Overigens, er stond nog een elfde landgenoot  aan de start: Jef Lahaye. De ex-landskampioen was na het opheffen van de Eroba-ploeg op de loonlijst bij Groene Leeuw terechtgekomen. Nou ja, loonlijst, het was maar hoe je het bekeek. Lahaye lag namelijk bij deze Belgische ploeg zó vaak met teambaas De Kimpe in de clinch over betaling van salaris, prijzen en premies dat hij naar een ander beroep begon uit te kijken. Op het einde van genoemd seizoen zei hij de wedstrijdsport vaarwel. Maar de fiets bleef hij trouw. De renner uit Bunde, die drie keer de Tour reed en verdienstelijk werk leverde in Ronde van Zwitserland, Dauphiné Libéré, Ronde van Luxemburg, Luik-Bastenaken-Luik, enzovoort, werd tijdens een trimtocht, lente 1990, in Ulestraten door een hartaanval getroffen. Lahaye werd slechts 57 jaar.

In tegenstelling tot zijn landgenoten behoorde hij niet tot degenen die er in Vuelta’61 vroegtijdig de brui aan gaven. Hij klasseerde zich als drieëntwintigste. Hugens en Van den Brekel (die meteen stopte met wielrennen) waren al na twee, hooguit drie dagen naar huis gegaan. René Lotz (héél ver familie van latere prof Marc Lotz) volgde dezelfde week en toen na negen dagen Madrid bereikt werd  (met uitstekende vlieg- en treinverbindingen naar het vaderland) vonden Zilverberg, Damen, Sluis, Van Egmond en Enthoven het welletjes. Voor Snijder en Van de Ven hoefde het toen ook niet meer.  Nee, een visitekaartje lieten de Nederlanders dat jaar niet achter. Toch kreeg Buchly een uitnodiging om terug te keren. En ofschoon zijn renners in 1962 bij uitzondering in de top-10 eindigden bleef een blamage als twaalf maanden eerder achterwege. Tegenover het supervroege afscheid van Jan Legrand, Cees van Amsterdam en  Tom Tubee, gevolgd door Fons Steuten, Toon van der Steen, Frans Stevens en Piet van der Horst stond namelijk het doorzettingsvermogen van Jan Westdorp (31ste), Leo Knops (37ste) en Leo Coehorst (42ste). Wie ook de finish haalden waren Michel Stolker (7de) en Ab Geldermans (10de), de twee Nederlanders  die met hun merkenploeg Saint-Raphaël ook eindwinnaar Rudi Altig in hun midden hadden. De prijzenpot van de ’Rapha’s’ zou trouwens nog beter gevuld zijn geweest als teamgenoot Jacques Anquetil, die op de tweede plaats stond, niet op de voorlaatste dag uit koers was gestapt. Hij had koorts, werd verteld.

Van dat laatste had Wim van Est in 1964 geen last. Als 41-jarige reed hij de Ronde van Spanje (zijn tweede) zonder problemen uit. Van Est deed dat als enige van de vaderlandse equipe waartoe opnieuw Steuten en Coehorst hadden behoord.  Echter, net als Snepvangers, Solaro en de anderen – alsmede de in Spaanse dienst bij KAS rijdende Piet Rentmeester en etappewinnaar Stolker – haalden zij het einde niet. Veel geld hadden zij tussentijds  ook niet bijeen gereden, maar het totaalbedrag  moest natuurlijk wel uitbetaald worden. Toen dat erg lang begon te duren was Van Est de smoesjes zat waarmee ’baas’ Vissers hem aan het lijntje hield. Inclusief dagvergoedingen ging het bij ’Wimme’ namelijk toch om een leuk bedrag. En om zijn eis te onderstrepen gaf hij tijdens een gesprek onder vier ogen de flamboyante ploegleider een klap op zijn smoel. Overigens, de hand- en spandiensten voor eindwinnaar Raymond Poulidor hadden de man uit Sint Willebrord ook nog een leuke bijverdienste opgeleverd, zoals hij in een jolige bui vertelde.

Toen in 1966, na één jaar onderbreking, weer een Nederlandse ploeg naar de Vuelta trok was het wielerlandschap veranderd. Van Est had de fiets aan de kant gezet. En de voorheen zo moeilijk bijeen te krijgen vaderlandse afvaardiging koerste niet meer onder KNWU-vlag. Merkenploeg  TeleVizier was daarvoor in de plaats verschenen. Ik kom daar deze week nog op terug.