Vuelta van vroeger (vierde aflevering) door Wiel Verheesen

Marcel Gouka    30 augustus 2019

Hij was al zeven keer met de Nederlandse ploeg naar de Tour de France getrokken en ook in de Ronde van Italië had de vaderlandse wielerelite vijf keer onder leiding van Kees Pellenaars slag geleverd. Het jaar 1958 betekende niettemin pas zijn eerste optreden als chef d’equipe in de Ronde van Spanje. Die werd van 30 april tot 15 mei gehouden. Zonder rustdag. ’De Pel’ had voor deze gelegenheid weer een ploeg samengesteld waarin routine aan jeugdig enthousiasme was gekoppeld. Wim van Est stak er qua ervaring boven uit, maar ook Daan de Groot, Michel Stolker, Leo van der Pluym, Jaap Kersten en Pieter de Jongh stonden niet voor hun eerste krachtproef. Zij hadden al minimaal één en soms twee of drie seizoenen in het profmilieu achter de rug toen ze met ’nieuwkomers’ als Jaap Huissoon, Ab Geldermans, Willy Gramser en Piet Steenvoorden naar startplaats Bilbao trokken. Gramser, een jaar eerder winnaar van de Ronde van Limburg voor amateurs, had luttele dagen voor de Vuelta nog extra inspiratie voor het grote avontuur gevonden  door de Ronde van Vlaanderen voor B-profs op zijn naam te schrijven. Het succes bleek desondanks niet voldoende om in Spanje tot het einde overeind te blijven, hoewel de renner uit Siebengewald het beduidend langer volhield dan Steenvoorden. De lange Noord-Hollander (in ’57 Nederlands kampioen bij de amateurs) kwam al na amper twee dagen naar huis. Omdat hij nog over een licentie als onafhankelijke beschikte (en in eigen land dus ook in amateurkoersen mocht uitkomen) startte hij meteen na terugkeer in de Ronde van Haarlemmermeer die hij prompt won. Het zou nog enkele jaren duren voordat de categorie onafhankelijken werd afgeschaft.

Overigens waren Gramser en Steenvoorden niet de enige Nederlanders voor wie de finish in Madrid te ver lag. De Groot (tijdens de eerste koershelft wél een dag of drie in de leiderstrui), Kersten, Stolker en Van der Pluym staakten ook. Met zijn drieëntwintigste plaats – er finishten 45 van de 100 deelnemers – was Wim van Est uiteindelijk de best geklasseerde landgenoot. ’IJzeren Willem’ gaf nooit op, of het moest zijn dat hij, zoals in de Tour van 1951, onderweg een ravijn in duikelde.

Aan kwaliteit ontbrak het in de Vuelta’58 allerminst. De Spaanse ploeg was van start gegaan met zelfs een handvol gegadigden voor de eindzege: Bahamontes, Lorono, Manzaneque en ’ouwe taaie’ Bernardo Ruiz. Blijkbaar te veel kapiteins op één schip. Toen de eindstand werd opgemaakt stond de eerste Spanjaard, Manzaneque, op de derde plaats. De triomf was voor Jean Stablinski, een Fransman van Poolse afkomst. Hij zou enkele jaren later in Salo aan het Gardameer ook nog wereldkampioen worden en wéér enkele seizoenen hierna (1966) de eerste Amstel Gold Race winnen.  Jean Graczyk, eveneens een Fransman met Poolse roots, was in de Spaanse rondrit net als de Breton Mahé een sterke helper voor Stablinski, die de Italiaan Fornara met een verschil van bijna drie minuten naar de tweede plaats verwees. Maar toch, ondanks het ijzersterke optreden van Stablinski en zijn concurrenten bleef de vraag onbeantwoord of de eindtriomf wellicht bij Rik van Looy terechtgekomen was indien tegenslag de Belg niet tot opgave had gedwongen. Let wel, toen een knieblessure verder rijden onmogelijk maakte stond Van Looy stevig aan de leiding. Er lag nog minder dan één koersweek in het verschiet. Om zijn suprematie te onderstrepen had de latere ’keizer van Herentals’ in tien dagen wel vijf etappes op zijn naam geschreven, waaronder een bergrit. Voorts had hij met zijn aanvallend rijden het grootste deel van het peloton murw gebeukt. Van Looy kwam met zijn eigen fabrieksploeg, de befaamde ’rode garde,’ nog driemaal terug naar de Vuelta. Zowel In ’59 als ’65 legde hij op de derde plaats beslag, alsook – naast respectievelijk vier en acht (!) etappezeges – op het puntenklassement. Bij zijn voorlaatste deelname in ’64 bleef hij op één dagsucces steken, maar dat had weer te maken met pech. Na vijf dagen dwong een gebroken sleutelbeen hem tot een vroegtijdige thuisreis.

Kortom, Rik van Looy (intussen  85 jaar en met vrouwlief  Nini nog altijd in Herentals woonachtig) was in zijn grote tijd een ster aan het wielerfirmament. Tijdens zijn opmars stuitte hij in eigen land op Rik van Steenbergen als grote rivaal. In de eindfase van zijn carrière kreeg hij met de jonge Eddy Merckx te maken. Van  Looy werd twee keer wereldkampioen: 1960 op de Sachsenring in Leipzig; 1961 op het Bremgarten-circuit in Bern. Hij won álle klassiekers en veel andere wedstrijden, óók op de baan. Net als in de Vuelta legde hij in de Tour (7 keer) en Giro (12) op menige dagprijs beslag. Het criterium in Valkenswaard op 22 augustus 1970 – hij reed toen bij Willem II-Gazelle – bleek volkomen onverwacht zijn laatste wedstrijd. Voor een afscheidstournee had hij totaal geen belangstelling. Typisch Rik.