Column door Wiel Verheesen

Marcel Gouka    20 april 2019

Column door Wiel Verheesen in  Limburgs Wielercafé .

Locatie:  Café Sjengske, Berg en Terblijt, vrijdag 19 april 2019

Krijgen ’we’ achttien jaar na Erik Dekker  eindelijk weer een Nederlander als winnaar van de Amstel Gold Race? En zal die triomfator dan Mathieu van der Poel heten?  Het zijn vragen die niet alleen de Nederlandse, ook de rest van de wielerwereld al enkele dagen in de ban houden. Een antwoord zal pas  zondag gegeven worden als de finish van de vaderlandse topkoers is bereikt. Of evenaart Philippe Gilbert het zegerecord van Jan Raas en komt de Belg met zijn vijfde overwinning op dezelfde  hoogte als Jan Allemachtig uit Zeeland? Ik voel de spanning al stijgen. U ook?

In ieder geval, Mathieu van der Poel krijgt bij zijn debuut al een favorietenrol op zijn schouders gelegd, zeker na zijn vijf zegepralen in het nog prille wegseizoen. Ga maar na. Eerst een dagzege in een koers  op de Turkse wegen, daarna een weergaloze jump in de Grote Prijs van Denain, luttele dagen nadat hij op de kasseien van Nokere Koerse een zware val had gemaakt. Vervolgens sterkste in Dwars door Vlaanderen én in de openingsetappe van het Circuit de la Sarthe, om tenslotte (afgelopen woensdag) de Brabantse Pijl naar zijn hand te zetten. Er zijn gerespecteerde profs die heel wat méér tijd nodig hebben om tot zo’n palmares te komen.

Mocht Van der Poel de verwachtingen waarmaken zal dat – vergeet het niet – een historische gebeurtenis zijn. Voor het eerst in de geschiedenis van het evenement komt dan na een winnende papa namelijk ook een triomferende zoon op het hoogste ereschavot. Op 21 april 1990 immers sprintte vader Adrie van der Poel in Meerssen naar de eerste prijs, nadat de Belgische Limburger Luc Roosen al rechtop was gaan zitten om het triomfgebaar te kunnen maken. Dat laatste hebben fietsende nakomelingen van andere oud-winnaars als Jean Stablinski, Eddy Merckx, Joop Zoetemelk en Erik Zabel niet kunnen maken, waarbij ik even in het midden laat of de zonen van genoemd viertal ook daadwerkelijk  in de Nederlandse klassieker van de partij zijn geweest.  Overigens, in het vader-zoon-verhaal mag de naam Nijdam wat mij betreft ook niet ontbreken. Wijlen vader Henk Nijdam bracht het  eind jaren zestig weliswaar niet verder dan een vijftiende plek of daaromtrent , maar zoon Jelle  zorgde er toch voor dat de familienaam in het gouden boek van de race terechtkwam. Jelle rondde in 1988 een urenlange ontsnapping met succes af.

Tja, als je in de historie duikt kom je het een en ander tegen. Inderdaad, telkens wanneer de wedstrijddatum weer nadert kan ik de neiging niet weerstaan om in mijn archief te duiken. U mag dat een overdreven vorm van nostalgie noemen, typerend voor een man die de acht kruisjes zopas heeft bereikt, maar het een noch het ander brengt mij van de wijs. Ik heb als oud-journalist een té stevige band met de Amstel Gold Race (en met de Tour of andere topkoersen) om er achteloos aan voorbij te gaan. Toen ik in de herfst van 2000 met vervroegd pensioen ging waren er vijfendertig Goldraces gehouden. Ik had ze allemaal als verslaggever gevolgd en zelfs na mijn afscheid van de krant ben ik er bij betrokken gebleven, onder meer als co-commentator van de Limburgse omroep L1 of als mede-auteur van het jubileumboek bij het 50-jarig bestaan.  De vriendschap met wijlen koersdirecteur Herman Krott en zijn tijdelijke secondant Ton Vissers heeft  bij dit alles net zo’n rol gespeeld als de kameraadschappelijke band met Leo van Vliet, de huidige koersleider. Hém kende ik al goed voordat hij in 1978 als prille prof zijn eerste Amstel Gold Race reed. Zal ik nog even de uitslag in herinnering roepen? Eerste Jan Raas, tweede op één minuut Francesco Moser, derde Joop Zoetemelk, vierde Freddy Maertens, vijfde Hennie Kuiper, zesde op vier minuten Gerrie Knetemann, zevende Gregor Braun en dan Leo van Vliet, Didi Thurau, Bernard Bourreu, ik stop, want anders moet U te lang naar mij luisteren. Daarom zal ik ook niet verder ingaan op de overwinning van Limburgse renners als Harrie Steevens in 1968 en Frans Maassen in 1991, zonder daarbij het succes van wijlen Arie den Hartig in 1967 te vergeten, want de Zuid-Hollander had zich toen al definitief in het land van bronsgroen eikenhout gevestigd..

In ieder geval, ik kijk – ik herhaal het – met veel interesse weer uit naar het koersverloop van zondag. Wat dát betreft ben ik nog net zo nieuwsgierig als op zaterdag 30 april bij de eerste editie  toen ik als freelance-journalist in de auto van Breda naar Meerssen trok, 304 kilometer in het spoor van winnaar Jean Stablinski en ongeveer 120 andere deelnemers. Kees Pellenaars, de ploegbaas van TeleVizier, mocht op hetzelfde moment met renners als Jo de Roo, Gerben Karstens, Leo Knops, Henk Nijdam en Bas Maliepaard in de Ronde van Spanje zitten, de overige vaderlandse kleppers , inclusief Peter Post en Jan Janssen, waren present om de strijd met veel buitenlandse coryfeeën aan te gaan. En Limburg  was daarin goed vertegenwoordigd met Jan Hugens (die derde werd), Jan  Schröder , Wim Schepers,  Gène Beckers,  Huub Harings, Jef Drummen  en (als de deelnemerslijst klopt) ook Jan Tummers en Fons Steuten.

Waar blijft de tijd?

Wiel Verheesen