Toespraak oud-sportjournalist Wiel Verheesen bij crematie van vroegere wielerprof Arie den Hartog (77) in Echt, 13 juni 2018.

Marcel Gouka    16 juni 2018

’Blond als de duinen van ons Noordzeestrand.’ Dat schreef de Amsterdamse journalist Evert Lammers, beter bekend als Evert van Mokum, beginjaren zestig over Arie den Hartog nadat hij de renner uit Zuidland bezig gezien had in een van de grotere  wedstrijden voor amateurs. Was het na de Omloop der Kempen, de Ronde van Friesland of Olympia’s  Toer? In ieder geval, de woorden zijn in mijn geheugen gegrift, net als andere gebeurtenissen in het wielerleven van Arie.

Ik zie hem bij wijze van spreken nú nog staan in Salo aan het Gardameer na het WK’62 voor amateurs toen hij ons, de Nederlandse wielerpers, vertelde dat er voor hem méér ingezeten had dan de derde plaats achter de Italiaan Renate Bongioni en de Deen Ole Ritter. De tranen stonden in zijn ogen. Een paar jaar later was hij wellicht nog méér ontgoocheld na wéér een wereldkampioenschap, dit keer voor profs. Zomer 1965, San Sebastian. Praktisch de hele rit had hij in het voorste gelid gestreden, maar om een of andere reden kwam het met Peter Post niet tot een goede samenwerking om achter Simpson en Altig tenminste een podiumplaats te veroveren.

Niettemin, ook zonder regenboogtrui bouwde Arie een fantastische erelijst op, voornamelijk in Franse dienst. In 1966 won hij als eerste Nederlander Milaan-Sanremo. Zijn medevluchters Adorni en Balmamion hadden onderweg beurtelings geprobeerd hem voor hun karretje te spannen. ’De miljoenen vlogen om mijn oren, maar het was nog de tijd van de lire,’ heeft hij vaak schaterlachend verteld, om er dan telkens aan toe te voegen dat hij voor geen geld ter wereld de zege in zó’n klassieker zou weggeven. ’Bovendien,’ zei hij dan, ’ze kunnen veel beloven.’

Arie kon leuk vertellen over zijn verblijf in de  wereld op twee wielen. Zo was er het verhaal over zijn eerste overwinning als prof, de ’O van Oldenzaal’ op paaszaterdag 1964, een afwachtingcriterium in het kader van de Ronde van Twente voor amateurs. Met de Limburgers Hugens en Schröder was hij een ronde uitgelopen op het peloton. In de lokaliteit waar naderhand de prijzen werden uitgereikt riep Wim van Est, de oude krijger die aan zijn afscheidstoer bezig was, de kersverse winnaar even apart. Of Arie misschien een of twee honderdjes wilde schuiven voor het geleverde afstoppingswerk. ’Ik wist een paar seconden niet hoe ik het had,’ keek Arie  nog jaren later op dit voorval terug. ’Er was niks afgesproken, maar ik stond daar wel tegenover Wim van Est, een legende in onze sport. Als jongen had ik nog foto’s van hem verzameld. Wat moest ik doen? Gelukkig kwam Jo de Roo net langs. ’Arie, trek je er niks van aan,’ luidde zijn advies. Dat heb ik dus ook maar opgevolgd. Jo liep al een paar jaar langer mee.’ Overigens, drie dagen na Oldenzaal won Den Hartog vóór Rudi Altig en Jan Jansse de semiklassieker Parijs-Camembert. Weer vier dagen later schreef hij in Zuid-Frankrijk de Tour de l’Herault op zijn naam vóór Anastasi en Novak. Een binnenkomst door de grote poort.

Milaan-Sanremo was trouwens niet zijn enige triomf in het klassieke genre. Hij won ook de Amstel Gold Race en schreef etappekoersen als de Ronde van Luxemburg en Ronde van Catalonië op zijn naam. En hij was tevens een prima tijdrijder, zoals zijn overwinning in de Grote Prijs van België op een heuvelachtig parcours rond Verviers duidelijk maakte.

Natuurlijk streed hij ook  – naast deelname aan Giro en Vuelta – vol vuur in de Tour de France, de wedstrijd die nu al langer dan een eeuw de massa begeestert. Vier keer was hij present, twee keer haalde hij Parijs. Eén van die twee – het was in 1968 – zal tot in lengte van dagen verbonden blijven aan het feit dat toen een ploeggenoot op de eindoverwinning beslag legde: Jan Janssen. Diens triomf, de eerste voor een landgenoot in La Grande Boucle, zette Nederland op de kop. Jan Janssen maakte de mensen uitzinnig van vreugde en Arie den Hartog had daar een wezenlijk deel in. Mét Evert Dolman en Eddy Beugels was hij de enige van de vaderlandse ploeg die de winnaar tot in Parijs ter zijde had gestaan. De zes anderen waren vroegtijdig naar huis gegaan.

Na zijn toch nog vroegtijdig beëindigde rennersloopbaan – hij was nog geen 30 en had zich toen al definitief in Limburg gevestigd – legde Arie een verzoek om coach van de Noorse wielerbond te worden naast zich neer. Hij ging in zaken, in rijwielen en aanverwante artikelen. Hoe vaak ik hem sindsdien in Sittard, Kerkrade of Nieuwstadt nog opgezocht heb voor een interview of zomaar om te kletsen over vroeger weet ik niet meer. In ieder geval,  vaak. Arie was een vriend voor het leven geworden. Zijn herseninfarct kwam dan ook als een mokerslag aan. De visite die ik in gezelschap van zijn oud-collega Huub Harings aan hem bracht in Thorn, waar hij liefdevol verpleegd werd, bleek achteraf een adieu voor altijd,Vanaf nu zal hij hierboven de vele herinneringen gaan delen met  strijdmakkers van weleer. Niet alleen met vroegere buitenlandse toppers als Anquetil en Altig aan wier zijde hij streed, of met Beugels en Dolman, ook met landgenoten zoals Vianen, Van der Vleuten, Henk Nijdam, Schepers, Hugens, Schröder, Van der Borgh, Stolker, Van Est, Post, Jo de Haan, Rentmeester, Duyndam, Zoontjens, Steenvoorden en al die anderen.

Arie, we zullen je missen, maar nooit vergeten.

foto onder: Wiel Verheesen

Een gedachte...

  1. berend willem hietbrink

    Arie zonder bombarie….
    gewoon de fiets om de fiets
    en anders nog iets niets
    nam nog levend afscheid van je
    bij magere heen zullen we alle zijn.

    de duizenddichter.

Commentaren gesloten