Jaap Kersten, Limburgse veteraan in Giro d’Italia

Marcel Gouka    25 mei 2018

Leuk verhaal, afgelopen donderdag  in dagblad De Limburger over de vroegere wielerprof Jan Tummers, een van de oudste nog levende Limburgers  die aan de Ronde van Italië hebben deelgenomen. Uiteraard heb ik in mijn journalistieke carrière de loopbaan van de renner uit Geulle (die nu in Elsloo woont) van nabij meegemaakt. Toffe gast. Toen ik het verhaal las dacht ik daar onmiddellijk aan terug. Tegelijk kwamen ook herinneringen naar boven toen ik nog niet als verslaggever, maar als tiener door het leven ging, bijvoorbeeld in 1954. Dat was het jaar waarin Jan Nolten als eerste provinciegenoot zijn opwachting in de Ronde van Italië maakte. Twee seizoenen later had de renner uit Geleen (die ook geruime tijd in Elsloo woonde) zelfs twee provinciegenoten in het Nederlandse team aan zijn zijde: Piet van den Brekel uit Echt en Harry Schoenmakers uit Blerick. En weer één jaar nadien stonden Nolten en Van den Brekel opnieuw aan de start en was debutant Jaap Kersten als Limburger ook van de partij. De eerdergenoemde strijdmakkers van de renner uit Siebengewald  (Nolten, Van den Brekel, Schoenmakers) zijn intussen al de eeuwigheid binnen gefietst,  zelf geniet  Kersten nog steeds van zijn oude dag. Trouwens, als 83-jarige is hij niet alleen de oudste nog levende Limburger die in de Giro koerste, hij legt net als Jan Tummers wekelijks  nog de nodige kilometers af. Soms doet hij dat in gezelschap van de vroegere Duitse prof en leeftijdgenoot  Hans Junkermann. Die is afkomstig uit  Sankt-Thönis bij Goch,  net aan de andere kant van de grens.

Nadat Jaap Kersten als amateur twee keer naar het WK was afgevaardigd (en o.a. de Zesprovinciënkoers had gewonnen, een driedaagse die als voorloper van Olympia’s Tour  mag worden beschouwd) was hij prof van 1957 tot 1965. Liefst vijf keer achter elkaar werd hij gekozen in de ploeg voor de Tour de France die toen nog met landenteams werd verreden. Zo maakte hij in 1958 met de gemengde Nederlands-Luxemburgse formatie de eindzege mee van Charly Gaul wiens rechterhand hij was. Trouwens, Jaap haalde als meesterknecht  alle keren Parijs. Een etappezege zat er niet in. De ene keer dat hij er heel dicht bij was, in 1961, had hij de pech dat rassprinter (en oud-wereldkampioen) André Darrigade tot de kopgroep behoorde. De Fransman verwees de Noord-Limburger naar de tweede stek. Kersten reed behalve vijf keer de Tour  en een keer de Giro  ook eenmaal de Vuelta en verder (meerdere keren)  alle andere rittenkoersen van formaat zoals de Ronden van Zwitserland, België, Duitsland, Luxemburg, Nederland. In de Ronde van Vlaanderen sleepte hij eens de vijfde plaats uit het vuur. Het ene seizoen stond hij onder contract bij Locomotief of Magneet in eigen land, weer in andere seizoenen had hij een Belgische of Duitse werkgever en soms verdedigde hij –  destijds niet ongebruikelijk –  de kleuren van een gelegenheidssponsor.  Toen hij eind 1965 een punt zette achter zijn rennersjaren ging hij  als stukadoor aan de slag, net als vroeger. Ook ging hij weer voetballen bij Stormvogels, de plaatselijke trots.

De laatste keer dat ik Jaap Kersten uitvoerig aan het woord heb gelaten is vorig jaar geweest. Ik schreef toen het  boek ’Limburg en de Tour’ over  renners en andere personen uit de provincie (zoals ikzelf) die La Grande Boucle meemaakten. De presentatie vond plaats in Valkenburg, luttele weken nadat Tom Dumoulin als eerste Nederlander de eindoverwinning in de Giro had behaald. De druk van het boek was zelfs uitgesteld om die historische triomf van de Maastrichtenaar nog te kunnen meenemen, precies zestig jaar nadat Jaap Kersten  de finish in de Ronde van Italië had bereikt.

Wiel Verheesen