Martin van der Borgh, zonder gele trui naar eindstreep van het leven

Marcel Gouka    13 februari 2018

Martin van der Borgh, zonder gele trui naar eindstreep van het leven
Door Wiel Verheesen
In zijn woonplaats Brunssum kwam op maandag 12 februari, terwijl stad en streek carnaval vierden, een einde aan het leven van Martin van der Borgh. De prostaatkanker die hij in een eerdere fase overwonnen leek te hebben bleek toch weer zó sterk teruggekomen dat er voor de sympathieke oud-prof geen kans meer was deze strijd te winnen. Martin van der Borgh, Mart voor zijn Limburgse vriendenkring werd 83 jaar. In zijn grote tijd als renner nam hij drie keer deel aan de Tour de France die toen nog met landenploegen werd verreden.
Weliswaar haalde hij slechts één keer Parijs, maar dat kwam vooral omdat hij nogal eens met Vrouwe Fortuna overhoop lag, zoals in 1958 bij zijn debuut. Als lid van een uit acht Nederlanders en vier Luxemburgers bestaande equipe was hij na twee weken bezig de top-10 van het klassement binnen te rijden toen hij in de vijftiende rit Luchon-Toulouse tijdens de afdaling van de Col d’Ares onderuit ging. Met een gebroken linker sleutelbeen moest hij de volgende dag beginnen aan de thuisreis naar Koningsbosch, wielernest binnen de gemeente Echt-Susteren. Enkele weken later was hij overigens weer fit genoeg om op het WK in Reims als achtste en bestgeklasseerde Nederlander te eindigen. In 1959 verliet hij opnieuw na twee weken de Tour omdat knieklachten het onmogelijk maakten nog verder te strijden. Het euvel was een gevolg van een zware tuimeling in het voorjaar tijdens een oefencampagne aan de Middellandse Zee. Blijkbaar had hij zich naderhand in de Dauphiné Libéré en Ronde van Zwiitserland (7de in de eindstand) geforceerd om toch maar tijdig terug op niveau te zijn voor La Grande Boucle. In 1960 bestond dáárover geen twijfel. Toen hij op het einde van de openingsrit Lille-Brussel als koploper naar het Heyzelstadion snelde waren de dagzege én gele leiderstrui nog slechts een kwestie van enkele minuten. Helaas voor Van der Borgh. Een paniekerige seingever stuurde hem vlak voor de ingang van het stadion dezelfde kant uit als de volgauto’s en motoren. Hij moest omdraaien, maar verspeelde de winst ten opzichte van zijn medestrijders die hij even tevoren in de steek had gelaten. De vierde plaats was het povere resultaat. Het gemis van de etappezege, maar vooral dat van het gele erehabijt hebben de sterke Limburger, die na afloop van het seizoen 1964 de koersfiets aan de kant zette, nooit losgelaten.
Zijn loopbaan was hij begonnen in de Wieler Federatie Limburg, de huidige NWB die destijds ook wel de ’wilde bond’ werd genoemd, maar wél een opstap bleek te zijn voor menige amateur en latere prof uit deze provincie. De Ronde van Merum-Herten in 1951 die Van der Borgh in de juniorencategorie won was de eerste zegepraal voor de toenmalige leerling aan de Roermondse Ambachtschool. Na dit succesje zouden nog vele eerste plaatsen volgen, óók bij de senioren waarbij hij tot de zomer van 1953 koerste om toen een amateurlicentie bij de KNWU aan te vragen. Aanpassingsproblemen kende hij nauwelijks. In 1954 wist hij de Ronde van Limburg te winnen, alsmede twee van de drie etappes in de Zesprovinciënkoers, de voorloper van Olympia’s Tour door Nederland. Op het wereldkampioenschap in Solingen legde hij dat seizoen op de bronzen plak beslag. Drie jaar later, met de militaire dienst achter de rug, stapte hij de betaalde categorie binnen, eerst nog als onafhankelijke, daarna als prof. Hij won onder meer in Nuth, Geulle en nog een paar van dat soort wedstrijden, maar ook op het hoogste niveau kwam zijn kwaliteit als all-rounder tot uiting. Niet alleen glorieerde hij in het shirt van Eroba, Locomotief of het Duitse Rüberg in de meerdaagse Tour du Nord op de Franse (kassei)wegen. Hij zegevierde ook in de eveneens al van de kalender verdwenen Ronde van Haspengouw, die men zou kunnen vergelijken met hedendaagse koersen als Kuurne-Brussel-Kuurne of Brabantse Pijl. Tevens behaalde hij ritzeges in de Ronde van Luxemburg en ereplaatsen in de ronden van Nederland, België, Duitsland, Romandië, Zwitserland, noem maar op. In 1959 sleepte hij met Sjra Vergoossen, Frits Knoops, Jos Brunenberg, Gerard Keulers en Fons Steuten aan zijn zijde ook de nationale titel voor de Toer- en Wielerclub ’Maastricht’ binnen in het clubkampioenschap. Dat was een ploegentijdrit over 120 kilometer in Wijk bij Duurstede. Zevenenveertig teams namen aan die strijd deel.
Wiel Verheesen

Een gedachte...

  1. wvasmeer

    Was een prachtige man. Heb hem nog ontmoet zat zo: op ons Boa kantoor te Valkenburg werkte ook mijn collega Michel Snijkers uit Haelen. Michel was KNWU jury lid en ook Boa. We konden heel goed met elkaar opschieten, was natuurlijk niet vreemd als wiellermannen.Die middag op kantoor hebben wij uren gepraat over het wielrennen. Michel is een paar jaar geleden overleden….. Ze zijn nou weer samen in de wielerhemel….

Commentaren gesloten