Reinier Paping , Elfstedenheld voor eeuwig door Wiel Verheesen

Marcel Gouka    27 januari 2020

Reinier Paping , Elfstedenheld voor eeuwig
Door Wiel VerheesenDe winter 1962-’63 was bar en boos en duurde van december tot maart. De koudste sinds mensenheugenis. Het openbare leven was ontwricht. Grote delen van het land lagen onder een dikke laag sneeuw. Postbestellingen liepen vertragingen op. Auto’s reden over het IJsselmeer, de Waddenzee was bevroren. Sommige eilanden moesten vanaf vliegbasis Leeuwarden bevoorraad worden. Bouwvakkers zaten onafgebroken in vorstverlet. Ook de voetbalcompetitie stagneerde. Zelfs de zaalsporten ondervonden grote hinder van de natuur. De hallen waren weliswaar ijsvrij, maar je moest ze natuurlijk wél kunnen bereiken. En toen ineens was er op 18 januari 1963 – na een onderbreking van zeven jaar – weer een Elfstedentocht, de klassieker waarin lijden en afzien, net als uitputtingsverschijnselen en bevroren lichaamsdelen, een vanzelfsprekendheid zijn. Maar nooit was de strijd heroïscher, dramatischer en gedenkwaardiger dan op de genoemde donderdag in ’63, de dag waarop Reinier Paping (uit 1931) de legende binnen schaatste. Een slagveld, nimmer vertoond. Dik eenentwintig jaar later zocht ik de triomfator nog eens op voor een terugblik. Wie kon op dát moment voorzien dat zowel in 1985 als ’86 (beide keren met Evert van Benthem als winnaar) en 1997 (toen Henk Angenent glorieerde) toch nog dóór en langs de Friese elf steden geschaatst zou worden?
Reinier Paping legde de rit over 200 kilometer als snelste van 568 wedstrijdrijders af in 10 uur en 59 minuten. De Groninger Jan Uitham had er tweeëntwintig minuten méér voor nodig. Het leverde hem de tweede plaats op. Iets later hield Jeen van den Berg uit Heerenveen zijn streekgenoot Albert Weijs in een sprintje van de derde plaats af. Dat er hierna (citaat uit een krant) ’nog een dikke vijftig levende ijspegels en verschrikkelijke sneeuwmannen over de eindstreep kwamen’, sommigen met achterstanden om van te duizelen, mocht gerust onvoorstelbaar worden genoemd. Friesland was deze dag het Siberië van Nederland. Er werden temperaturen van twintig graden onder nul gemeten. In de buurt van Stavoren waren al zóveel toer- en wedstrijdrijders uit de race gestapt dat het openbare vervoer de opgevers niet meer per trein terug naar Leeuwarden kon brengen. Extra bussen en behulpzame automobilisten moesten het probleem oplossen.
De nacht vóór de tocht bracht Paping door in Leeuwarden, bij kennissen. Daar liep om vier uur de wekker af. Twee broers brachten hem een uurtje later naar de startplaats, de enorme hal van autospuiterij Postuma. Als hongerige dieren wachtten de deelnemers op het moment dat de poort van de kooi zou open gaan. Toen het eenmaal zover was stormde de meute het duister tegemoet. ’Er werd geschreeuwd en geduwd,’ aldus Paping. ’Sommige jongens struikelden. Weer anderen liepen over de lichamen heen. Op het ijs van het Van Harinxmakanaal werden de schaatsen ondergebonden. Toen was er geen houden meer aan.’
Vanuit Leeuwarden ging het in zuidelijke richting naar Sneek en IJlst, vervolgens tussen de weilanden door naar Sloten en Stavoren. Vandaar naar Hindeloopen, Workum, Bolsward, Harlingen, Franeker en Dokkum terug naar de hoofdstad, maar niet na eerst Bartlehiem ’genomen’ te hebben. ’Gaten in het ijs kon je niet zien, zeker niet in de eerste uren toen het nog donker was. Verschillende deelnemers werden – na weer eens gevallen te zijn – uitgeschakeld omdat hun handen opengereten werden door de schaatsen van medestrijders die er gewoon over heen knalden. Het gevloek was niet van de lucht. Ik denk dat ikzelf een keer of vijftien gevallen ben. In de slotfase, toen ik al een flinke voorsprong had, stopte ik even en vroeg ik een toeschouwer of ik even zijn jas mocht aan doen. De man aarzelde geen moment. Toen ik zijn jas aantrok had ik het gevoel dat er een warme stroom door mijn lichaam trok. Daarna ben ik tien tot twintig seconden op de grond gaan liggen. Ik maakte trappende bewegingen met mijn benen alsof ik op de fiets zat. Mijn spieren waren stijf geworden van de kou.’
Al in de eerste veertig kilometer zat Reinier Paping in een groep van een kleine dertig man die zich losgescheurd hadden van het langgerekte peloton. De afvalrace was toen al in volle gang. Bij Workum, na een kleine vier uur strijd, bleek de leidersgroep geslonken tot vijf man. In de buurt van Bolsward gaf Paping zijn positie in de spits heel even prijs, maar dat had niets te maken met een inzinking. ’Ik moest voor een kleine behoefte naar de kant.’ Spoedig had hij zijn concurrenten weer te pakken en toen duurde het niet lang meer of hij liet ze in de steek. Definitief. ’Opeens was ik alleen. Bij stempelposten hoorde ik hoe groot mijn voorsprong was. Na de passage in Harlingen en Franeker boog ik af richting Dokkum, de wind pal op kop. ’Doorgaan Reinier, doorgaan,’ hield ik mezelf voorDe verlatenheid in de weilanden rond Franeker greep mij naar de keel. Zonder tegenstanders om mij heen leverde ik vooral een gevecht met mezelf. Pas toen ik op de terugweg van Dokkum naar de finish mijn achtervolgers tegenkwam die nog de andere kant uit moesten besefte ik dat de buit binnen was. De laatste kilometers heb ik een roes gereden.’
Reinier Paping werd in de weken die volgden van de ene naar de andere huldiging gesleept. Hij reed ook nog enkele wedstrijden, maar legde zich toch vooral toe op het uitbouwen van zijn zaak in sportartikelen. De overwinning in de Elfstedentocht was bij dit alles natuurlijk een reclame die in geld niet uit te drukken viel. De opening van een tweede zaak, eveneens in Zwolle, leverde daarvan. Bij dit alles bleef hij de sympathie zelve. Held voor altijd. En de winter 1962-’63 waarin hij de legende inging blijft eveneens onvergetelijk. Ik huiver nú nog.
Wiel Verheesen