De koers van toen …. Zesenveertigste aflevering

Marcel Gouka    14 juli 2020

De koers van toen …. Zesenveertigste aflevering

Door Wiel Verheesen

Wanneer ik Daan de Groot in een oud filmpje van de Tour weer naar de etappezege in 1955 (!) zie snellen gaan mijn gedachten altijd ook naar Jan Cottaar terug. Ik hoor dan als het ware opnieuw de stem van de in 1984 overleden verslaggever die tijdens de rondrit door Frankrijk miljoenen Nederlanders aan de radio kluisterde. Vergeet niet, de TV leverde nog geen rechtstreekse beelden. De fans waren aangewezen op radio en kranten, die links en rechts met extra-edities verschenen, zo snel mogelijk na de ritaankomst. Het intussen ter ziele gegane dagblad Het Volk uit Gent had op dit gebied een reputatie, niet alleen in Vlaanderen, óók in Nederland. En de nabeschouwing van Jan Cottaar in de avonduren vanuit Frankrijk vormde de kers op de taart. ’Ik groet U allen zeer,’ waren de woorden waarmee hij altijd zijn analyse afsloot. Nogmaals, het is alsof ik ze weer hoor.

Voordat Cottaar ’s avonds terugging naar het koersverloop had hij uiteraard ook het rechtstreekse verslag van de finish verzorgd, hoewel hij aanvankelijk nog door zijn bazen beperkt was in de duur van de uitzending. Soms kon hij pas beginnen als de luisteraars die op de Vlaamse zender hadden afgestemd al op de hoogte waren van de ontknoping. Daar kwam een einde aan toen de Nederlandse renners steeds nadrukkelijker op de voorgrond traden. Dus kon Jan Cottaar in 1955 vanuit Albi zijn publiek al melden dat er een vaderlandse ritoverwinning te gebeuren stond. De voorsprong van de 22-jarige Daan de Groot bedroeg namelijk 20 minuten. Het kón niet meer misgaan. ’Probleem’ voor Cottaar was wél dat hij na zijn gesprek met de ritwinnaar de tijd moest vullen met nieuws uit de koers, uiteraard. Maar …. er was geen nieuws, althans niet van schokkende betekenis. Het peloton wist dat het alleen nog voor de tweede plaats kon sprinten. Cottaar overbrugde, noodgedwongen, de tijd met herhalingen over de lange zegetocht van de Tourdebutant, over de verschroeiende hitte,  over de kastelen en gerenommeerde wijnen uit de streek en over nog tig andere zaken. En toen, midden in zijn reportage, slaakte hij bijna een zucht van verlichting. Het peloton met Antonin Rolland in het geel en Wout Wagtmans in het groen meldde zich present, lichtelijk voorafgegaan door sprintfenomeen André Darrigade, diens landgenoot Georges Gay en de Oostenrijker Kurt Schneider. Die laatste was er eentje uit het vreemdelingenlegioen dat geformeerd was rond Charly Gaul . De jonge Luxemburger beschikte in eigen land immers over te weinig collega’s voor zo’n monsterkoers. Gaul zou trouwens in de eindstand derde worden achter Louison Bobet en de Waal Jean Brankart, die nog niet zó lang geleden zijn negentigste verjaardag vierde, las ik ergens.

Enfin, kruidenierszoon Daan de Groot, die op 16-jarige leeftijd met wielrennen was begonnen, had in het begin al van zich doen spreken, net als zijn twee zusjes dat in de zwemsport deden. Als 19-jarige was hij al baankampioen op de 50 kilometer. Bovendien, hij werd afgevaardigd naar de ploegenachtervolging op de Olympische Spelen ’52 in Helsinki, na al een top-vijfplaats in de Vredeskoers veroverd te hebben. Kortom, Daan won als amateur niet alleen de nodige straatronden met roem van beperkte aard, hij zocht ook met succes het grote werk op: Route de France, de Ronde van West-Vlaanderen (die hij won), de Omloop der Kempen (die hij won) en de Pijl van het Zuiden in Luxemburg (waar hij een etappezege opeiste). Kijk, dan ben je van die mafkezen af die niet verder kijken dan het regionale circuit. Allicht dat ploegleider Kees Pellenaars hem naar de profklasse haalde.

Aan het debuut van De Groot in de Tour ’55 ging overigens  een prima optreden vooraf in de Giro d’Italia, die hij ook in de twee volgende jaren tot een goed einde bracht. In de Ronde van België won hij een keer de slotetappe en in de Vuelta ’58 droeg hij drie dagen de leiderstrui. Op de baan bleef hij eveneens goed presteren. Daar werd hij onder meer kampioen achtervolging. Samengevat, De Groot was een renner met pit. Bovendien, joviaal in het kwadraat.

Met de etappezege in Albi was de Tour voor hem natuurlijk al geslaagd, los van het feit dat hij als debutant ook Parijs haalde. Dat laatste lukte hem eveneens in de eerstvolgende editie. Hij eindigde toen zelfs op de verdienstelijke vijftiende plek. Onderweg had hij niet alleen enkele ereplaatsen veroverd,  maar ook eventjes het puntenklassement aangevoerd. Bij zijn derde deelname, 1957, stond hij na vijf etappes zelfs nog eerste in het bergklassement, maar dat vond hij alleen maar grappig. Hoe hij dan toch eventjes ’bergkoning’ kon zijn? Heel simpel, tijdens de rit van Roubaix naar Charleroi was hij als koploper over de Muur van Geraardsbergen gekomen, de eerste hindernis voor de toen nog niet bestaande bolletjestrui.

Het echte werk in de cols was niettemin voor een zwaargewicht als hij toch  teveel gevraagd, hoewel hij zich niet bij voorbaat gewonnen gaf. De Tour van ’57 reed hij overigens niet uit. Toen hij na één jaar onderbreking weer op de Franse wegen van de partij was lukte dat evenmin. Een valpartij in de tiende etappe naar Bagnères-de-Bigorre (waarbij zijn Limburgse teamgenoten Jaap Kersten en Mart van der Borgh slechts lichte verwondingen opliepen) betekende het einde. De Groot moest zelfs enkele dagen in het ziekenhuis doorbrengen. Sindsdien ging het qua resultaten minder goed. Hij pikte hier en daar nog wel een overwinning of ereplaats mee, reed nog voor de zoveelste keer de Ronde van Nederland en aanverwante koersen, maar stapte beginjaren zestig toch vrij geruisloos af.

Zijn gezin en een andere job eisten hem volledig op. ’Daantje’ – zoals men hem vroeger ondanks zijn lengte noemde – had het naar zijn zin, totdat het noodlot onbarmhartig toesloeg. Zijn vrouw stierf, een verlies dat hij niet te boven kwam. De joviale Amsterdammer van weleer werd depressief. Kortom, het hoefde voor hem niet meer. Op een januari-dag in 1982 stapte hij uit het leven. Daan de Groot werd 48 jaar.

Wiel Verheesen