Vuelta van vroeger (eerste aflevering) door Wiel Verheesen

Marcel Gouka    24 augustus 2019

De Ronde van Spanje die een paar uur geleden met een ploegentijdrit van start ging is de laatste van de drie grote ronden in het wielerseizoen. Het evenement is ook qua leeftijd de jongste van de drie, want toen in 1935 de première werd gehouden stonden de Tour de France en Giro d’Italia al enkele tientallen jaren op de kalender. In de beginperiode van de Vuelta vonden er bovendien nogal onderbrekingen plaats, zowel door de bloedige burgeroorlog die Spanje meemaakte, alsook vanwege de wereldbrand in de hierna volgende jaren. Zo kon het gebeuren dat bij het twintigjarig bestaan in 1955 de wedstrijd pas voor de tiende keer werd gehouden. Maar vanaf toen was de ronde dan ook definitief het hoogtepunt van het wielergebeuren op Spaanse bodem, zeker nadat de organisatoren  op het einde van de eeuw met hun koers verkasten van april/mei naar augustus/september.

In tegenstelling tot de voorbije julimaand toen ik tijdens de Tour de France iedere dag een column maakte over het roemrijke verleden van La Grande Boucle, zal mijn terugblik op de Vuelta een paar keer per week plaatsvinden. Daarmee kom ik voor een deel tegemoet aan de wens van velen (echt waar) die mij vroegen om na de Tour óók de geschiedenis van de Ronde van Spanje in een dagelijks terugkerende tekst te laten herleven. ’Komaan, twee- of driemaal per week wil ik dit doen, want zelfs op mijn leeftijd, ik ben van 1939, heb ik ook nog andere bezigheden op het programma,’ was mijn reactie. In ieder geval, ik hoop fit te blijven om tot de finish de ’Vuelta van vroeger’ een keer of tien met U op Facebook te kunnen delen. Vandaag de eerste aflevering, de periode van de Nederlandse pioniers. Ik doe dit via de site van de ’Vrienden Club van Honderd’, een Limburgs wielergezelschap dat vijf jaar bestaat en waarvoor ik onlangs het jubileumboekje ’Vrienden voor het leven’ heb geschreven, onmiddellijk nadat een ander boek van mij (’Pony in peloton’) op de markt werd gebracht. Beide boeken zijn nog verkrijgbaar, maar dit even terzijde. Eerst dus de start van de Ronde van Spanje-rubriek.

Tot de 50 renners op de deelnemerslijst in 1935 behoorden twee Nederlanders: Marinus Valentijn en Gerrit van der Ruit. De eerste was de held van Sint Willebrord en verre omgeving, de ander kwam uit het Zuid-Hollandse Capelle aan den IJssel. Marinus Valentijn werd in zijn geboorteplaats ’Vent van de Bok’ genoemd. Zo’n bijnaam was toentertijd ook elders, zeker op het platteland, een normaal verschijnsel. Adrianus Valentijn, de vader van de succesvolle wielrenner, heette in de volksmond ’Arjaan van de Bok,’ dus was de aanduiding voor de zoon volkomen logisch. Valentijn junior behoorde in de jaren dertig, het decennium waarin hij als beroepsrenner door het leven ging, tot de vaderlandse top. Niet alleen werd hij twee keer nationaal kampioen en een keer derde (1933) in de mondiale titelstrijd, hij verdiende ook uitnodigingen voor wedstrijden als Ronde van Duitsland, Parijs-Nice en Ronde van Zwitserland. Dat was in genoemde periode niet alledaags voor een renner uit Nederland.  Echter, bovenal verdiende Marinus Valentijn veel geld in Belgische kermiskoersen en aanverwante gebeurtenissen op eigen bodem. Hij kwam vaak als winnaar uit de bus, maar was ook nooit te beroerd om – voor een pak poen – de eerste prijs aan een medestrijder te laten. Je bent prof, of je bent het niet, hé, maar je moet wél iets in je mars hebben om zo’n verdeelsleutel te kunnen toepassen.

Gerrit van de Ruit, een 10 jaar jongere collega van Valentijn, kon er ook wat van.  Hij werd bijvoorbeeld Nederlands kampioen bij de onafhankelijken, een categorie tussen de amateurs en profs die halverwege de jaren zestig werd opgeheven. Van de Ruit sleepte tevens de vijfde plaats op het WK’35 uit het vuur . Dus was het niet zó vreemd dat zijn naam, net als die van Valentijn, in het boekje stond van Fons Versnick uit Brussel, een ex-onderwijzer en journalist die manager was geworden.  Versnick had uit Madrid het verzoek gekregen een aantal Belgen te contracteren voor de allereerste Ronde van Spanje waarvoor de periode 29 april-15 mei 1935 (inclusief drie rustdagen) was gereserveerd. De gebroeders Gustaaf en Alfons Deloor, alsook Antoine Dignef,  Lion Loyet en Francois Adam zetten hun handtekening onder het contract dat zij voorgelegd kregen  De manager mocht zijn groot netwerk óók gebruiken om eventueel nog liefhebbers uit andere landen warm te maken voor de Vuelta. Dat deed hij graag, ook al omdat deze buitenlandse inbreng als welkome versterking voor de Belgische renners kon worden ingezet. Kortom, Valentijn en Van de Ruit togen naar het Iberisch schiereiland, leverden daar zowel individueel als in ’vreemde dienst’ knap werk en hadden zodoende een groot aandeel in het Belgisch overwicht. Onze zuiderburen  sleepten een handvol ritten in de wacht en kregen met drievoudig dagwinnaar Gustaaf Deloor ook de eindtriomfator op het podium. De Spanjaarden moesten met de tweede plaats van Mariano Canardo tevreden zijn. Max Bulla, een Oostenrijker, strandde achter de Belg Digneef op de vierde stek. En Valentijn? Die werd keurig tiende, vier plekken vóór Van de Ruit. Minstens zo belangrijk was het financiële gewin. Omgerekend in huidige munt een slordige 1000 euro, maar dan moet je de hedendaagse waarde daarvan wél met twintig of méér vermenigvuldigen.

Een jaar later, bij de tweede editie, waren overigens geen Nederlanders van de partij. Wél weer enkele Belgen. En net als in ’35 glorieerde Gustaaf Deloor, dit keer met broerlief Alfons Deloor in tweede stelling. De beide Oost-Vlamingen en hun makkers waren amper thuis toen in Spanje het wapengekletter van de burgeroorlog begon te klinken. Voor de derde Vuelta was het wachten tot … 1941. Echter, toen was het elders in de wereld allesbehalve vredig. Zodoende zou Nederland pas in ’46 weer acte de presence geven in de Ronde van Spanje, deze keer zelfs met een complete ploeg van zes man. Maar daarover hoop ik bij een volgende gelegenheid te kunnen vertellen. Fijn weekend.

Een gedachte...

Commentaren gesloten