Vuelta van vroeger (derde aflevering) door Wiel Verheesen

Marcel Gouka    28 augustus 2019

Jan Nolten maakte in de Ronde van Spanje 1955 deel uit van een Beneluxploeg waarin hij drie Belgen en twee … Oostenrijkers aan zijn zijde had. Hoe dát kwam? De Brusselse manager Fons Versnick, belast met de samenstelling van de formatie, had geen Luxemburgers kunnen overhalen om de Vuelta te rijden. Niet alleen was het aantal profs in het Groothertogdom tóch al dun gezaaid, bovendien hadden Charly Gaul en de anderen meer interesse voor de Tour en Giro dan voor de Spaanse rondrit. Die was trouwens na een paar jaar onderbreking weer nieuw op de kalender gekomen en telde vijftien etappes plus één rustdag. Kortom, de Oostenrijkers  Kurt Schneider en Alfred Kain (tijdens het seizoen trouwens in België woonachtig) trokken met de Belgen Arsene Bauwens, Theo Brunswijck en Roger Wyckstand, alsmede Jan Nolten naar Bilbao, de startplaats. Precies honderd collega’s van de ’Benelux-formatie’ meldden zich daar eveneens, onder meer een viertal Duitsers en voorts ploegen van zes man uit Spanje (10), Italië (2), Frankrijk (2), Zwitserland en Groot-Brittannië. Een bont gezelschap dat er zin in had.

Ook Nolten deed van zich spreken, hoewel de renner uit Geleen, die naderhand nog jarenlang in Elsloo woonde, wist dat hij voor het eindklassement niet in aanmerking kwam. Dat was weer een gevolg van het feit dat de slotetappe van de Vuelta (8 mei) samenviel met het Nederlands kampioenschap op de Cauberg. Hij was verplicht daar te starten. Zo had de Sportcommissie van de KNWU bepaald. ’Ga gerust naar de Vuelta, laat zien wat je in je mars hebt, maar kom tijdig naar huis voor het NK,’ luidde de boodschap. Er werd ook nog iets aan toegevoegd. ’Als je niet start in Valkenburg blijf je buiten de ploeg voor de Tour de France.’ Nou, dat laatste kon je je als Nederlandse prof niet permitteren, zeker niet in de jaren vijftig. Toen was namelijk ene Kees Pellenaars niet alleen baas van de fabrieksploeg Locomotief, maar óók van teams die namens de wielerbond deelnamen aan de Tour, Giro en andere wedstrijden van betekenis. Ruzie met ’de Pel’ kon vanwege diens belangenverstrengeling dus grote gevolgen hebben, sportief én financieel. Daarbij kwam nog dat Jan Nolten twee heren moest dienen.

Sinds hij in 1952 een ophefmakend debuut in de Tour had gemaakt was hij namelijk ingelijfd door Mercier, een Frans fabrieksteam waarvoor hij koersen als Dauphiné Libéré, Parijs-Roubaix, enzovoort, diende te rijden. Als hij niet bij Mercier hoefde op te draven kon hij met Locomotief en Pellenaars elders aan de slag. Wanneer twee koersen elkaar overlapten (zoals wel eens met Giro en Dauphiné gebeurde)  moest er geschipperd worden. De ene keer kreeg Pellenaars zijn zin, een andere keer zijn Franse collega Antonin Magne. In  ’54 werd het zelfs zó geregeld dat Nolten met de Nederlandse ploeg naar de Giro ging, maar in de slotweek mocht opgeven om tijdig in de Dauphiné Libéré te zijn. Een absurde situatie, uiteraard, die ook duidelijk maakte waarom hij in 1955 niet de Giro, maar de Vuelta prefereerde (gevolgd door de ronden van Luxemburg en Zwitserland) als ’aanloop’ naar de Tour. De verplichting van het NK kon er dus ook nog bij.

In de bewuste Ronde van Spanje kwam Nolten niet onverdienstelijk uit de startblokken. Italianen als Magni, Nencini en Baffi, of Fransen als Geminiani, Bauvin en latere eindwinnaar Jean Dotto toonden zich vaak sterker dan de helden van eigen bodem, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan speelde Jan een aardige rol. Hij kwam na ruim een week op een tiende, elfde plaats in het klassement terecht, maar zag tevens de datum dichterbij komen dat hij moest afnokken.  Zijn mededeling dat hij naar huis ging viel bij de Spaanse organisatoren overigens niet in goede aarde. Zijn fiets werd zelfs in beslag genomen. Zonder fiets stapte Nolten toch maar in de trein. Achtendertig uur later, midden in de nacht, was hij in Luik. Daar kreeg hij een lift tot Maastricht om vervolgens de taxi naar Geleen te nemen. De volgende dag sleutelde hij een tijdje aan een reservefiets, waarmee hij tevens een korte oefenrit maakte. Weer een dag later was het NK. Dat werd gewonnen door Thijs Roks, die Hein van Breenen en Wout Wagtmans naar de ereplaatsen verwees. Achter Adri Voorting, maar vóór Hein Gelissen en de rest van het uitgedunde veld legde Nolten op de vijfde plaats beslag. Hij heeft later vaak verteld dat hij vrijwel zeker kampioen was geworden als hij over zijn beste fiets had kunnen beschikken. Maar tja, die stond in Spanje.

Jan Nolten is na’55 nooit meer in de Vuelta geweest. De Ronde van Zwitserland, zomer ’59, was zijn laatste optreden als prof. Hij had toen vijf deelnames en twee ritoverwinningen in de Tour op zijn naam staan, alsmede één ritzege op drie starts in de Giro. Op 13 juli 2014 stierf hij in Geleen, 84 jaar oud. Ik mocht in het crematorium namens zijn oud-collega’s en supporters de afscheidsrede uitspreken. Onvergetelijk, in alle opzichten.

Een gedachte...

Commentaren gesloten